1. Bijna
Beeldde ik het me maar in? Was het een hallucinatie, een visioen? Of zag ik je nou echt, daar bij het stoplicht?
Je stak over, ik was net iets te ver weg, en moest wachten tot het licht weer op groen sprong. Je had al een flinke voorsprong, ik kon je niet meer inhalen. Je liep snel, trok af en toe een sprintje. Je had haast, en ik zag de afstand tussen ons steeds groter worden. Ik had je naam willen roepen om te zien of jij het was.
Als jij het was geweest, had je je dan omgedraaid, en was je naar me toegelopen? Hadden we dan weer oog in oog met elkaar gestaan, als vanouds? Hadden we dan even met elkaar gepraat? Hadden we dan die chemie weer gevoeld, zoals we die altijd voelden? Zou het een kort gesprek zijn geweest, of misschien wel wat langer? Of had de tijd het niet toegelaten, zoals de tijd het ons nooit toeliet?
Je had haast, en ik was vertraagd door de zware boodschappentas van de Jumbo in mijn linkerhand. Uiteindelijk kon ik je niet bijhouden, en zag ik je verdwijnen uit het straatbeeld. Bijna.
2. Vrouw alleen
Daar zit ze weer. Dit keer aan een andere tafel, maar bij mijn weten kiest ze iedere keer wel een andere tafel uit. Als ze maar wat privacy heeft. Nou ja, soms lijkt de nabijheid van andere gasten haar niet te storen. Zolang ze maar niet teveel wordt afgeleid. Want ze lijkt zich te willen concentreren, op wat het dan ook is dat ze leest op haar telefoon. Of wat ze schrijft. Want dat doet ze ook, regelmatig. Dan zie ik haar besmuikt lachen. Om wat ze zojuist heeft geschreven, of om een grappige anekdote of een verhaal dat ze aan het lezen is. Of lacht ze gewoon om iets lolligs op social media?
Welke tafel ze kiest verandert dus nog weleens, maar wat niet verandert is dat ze alleen is. Alleen, met haar telefoon. Dat lijkt haar niet te storen. Maar soms zie ik haar droevig voor zich uit staren. Naar die lege plek aan haar tafeltje, het tafeltje voor twee. Of het tafeltje voor vier. Dan kijkt ze om zich heen met zo'n blik van: 'Toe jongens, ik heb écht al die stoelen niet nodig hoor. Zit er nog iemand verlegen om een stoel? Kom ze maar halen.' Dat gebeurt weleens een enkele keer. Dan staat ze de stoelen met een soort van opluchting af. Net alsof ze wil zeggen: 'Dan ziet het er toch wat minder eenzaam uit'.
Ik geef toe dat ze me fascineert. Ze gaat altijd goed gekleed, netjes en vrouwelijk als je begrijpt wat ik bedoel, ik heb haar nog nooit een gerafelde spijkerbroek of iets dergelijks zien dragen. En altijd een make-upje op, ik geloof dat ik rode lippenstift haar toch het mooist vind staan. Als ik haar tafel kom afruimen zit er altijd zo'n mooie afdruk op het kopje. Cappuccino overigens, maar de laatste tijd is Caffè americano ook in trek. Steevast gevolgd door een glas witte wijn. Of twee. Een gebakje bij de koffie hangt af van onze kaart. Ze vraagt altijd naar cheesecake, of worteltaart. Ik moet haar dan steeds teleurstellen, veel verder dan appeltaart en chocoladecake gaat het hier niet. Ik neem me iedere keer voor dat we de kaart eens moeten veranderen.
Vaak heb ik de neiging om een praatje met haar te maken, om een gesprek aan te knopen. Om haar te vragen waarom er geen leuke man is. Nou ja, daar ga ik dan vanuit. Helemaal zeker weten doe ik het niet. Maar als ik haar weer zo dromerig uit het raam zie staren dan ben ik dat toch geneigd te denken, dat ze zich misschien wat eenzaam voelt. Maar hé, zoiets doe je niet hè. Misschien zou ze zich wel opgelaten voelen als ik dat deed. Dat wil ik niet, ik wil niet riskeren dat ze naar een ander café gaat. Want concurrentie genoeg. Bovendien slaat ze ook weleens een weekje over. Ze heeft vast andere adresjes. Waar ze misschien zelfs gaat eten. Ik kan haar geen ongelijk geven.
Vandaag is ze goedgeluimd, ondanks dat die droevige blik af en toe weer opduikt. Maar er wordt vooral intensief gelezen, gegrinnikt, nagedacht, en geschreven. Kon ik maar zien wat ze schrijft, of wat haar zo doet gniffelen. Daarvan blijf ik in het ongewisse, maar het doet me goed om haar te zien lachen. Ja, ik vind haar best bijzonder, ik geef het toe. Op de een of andere manier wekt het toch nieuwsgierigheid dat ze altijd alleen is. Als collega's de volgende dag vragen of er nog vaste gasten zijn geweest, dan noem ik haar altijd de vrouw met de lippenstift. Stiekem hopen we allemaal dat hij een keer binnen komt wandelen, die man, en dan bij haar aanschuift. Ik stel me hem zo voor als een man van middelbare leeftijd, want dat is zij ook. Knap. Met charme. En goed gekleed, net als zij.
Vandaag komt hij in ieder geval niet. Maar mocht het ooit gebeuren, dan krijgen ze van mij koffie van het huis. Mét cheesecake. Al moet ik 'm zelf bakken.